Subsidiaire bescherming

Indien een asielzoeker geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan hij of zij wel in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming. Dit is uitgewerkt in de Definitierichtlijn een Europese richtlijn met minimumnormen waar alle EU-lidstaten zich aan moeten houden.

Volgens artikel 2 onder e en artikel 18 van de Definitierichtlijn komen personen in aanmerking voor een status op grond van subsidiaire bescherming als zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade.

Ernstige schade is volgens artikel 15 definitierichtlijn

  1. de doodstraf of executie;
  2. foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een asielzoeker in het land van herkomst
  3. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

De a categorie is gebaseerd op artikel 2 van het Europees verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).

De onder b genoemde vormen van ernstige schade komen  overeen met artikel 3 EVRM & Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU welke artikelen identiek zijn. Artikel 3 EVRM houdt mede in dat een persoon niet mag worden uitgezet naar een land waar hem een behandeling te wachten staat die dit artikel verbiedt. Een uitzetting waarbij artikel 3 EVRM wordt geschonden wordt aangeduid als ‘refoulement’.

Een belangrijk verschil tussen het refoulementverbod van artikel 3 EVRM en het refoulementverbod Vluchtelingenverdrag is dat bij artikel 3 EVRM niet vereist is dat sprake is van een vervolgingsgrond zoals genoemd in het Vluchtelingenverdrag, zoals bijvoorbeeld ras en godsdienst. Een asielzoeker die bijvoorbeeld om  persoonlijke redenen problemen heeft met een machtige bestuurder in zijn land van herkomst kan wel een beroep doen op artikel 3 EVRM, maar niet op het Vluchtelingenverdrag. Verder is Artikel 3 EVRM onvoorwaardelijk en absoluut. Ook indien de asielzoeker een ernstig misdrijf heeft gepleegd, mag hij niet naar het betreffende land worden verwijderd. Het Vluchtelingenverdrag kent bepalingen om asielzoekers die zich schuldig hebben gemaakt aan zeer ernstige misdrijven uit te sluiten van de bescherming (artikel 1F en artikel 33 lid 2).

Artikel 15 c definitierichtlijn

De c categorie is met de Definitierichtlijn in 2004 gekomen en biedt een grond voor een asielvergunning aan burgers vanwege ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Zo’n situatie wordt nu ook wel een 15c situatie genoemd.

Blijkens het beleid kijkt de IND bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke 15c situatie in ieder geval naar de volgende elementen in samenhang gewogen:

  • de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
  • de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
  • de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
  • de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

In het land gebonden beleid wordt vermeld of de IND uitgaat van een 15c situatie in een land of een deel daarvan. Als een asielzoeker uit een gebied komt waar een 15c situatie is, kan het nog zo zijn dat de IND meent dat er voor die persoon een vestigingsalternatief is in een ander deel van het land.

Wilt u weten of dat u in uw situatie een subsidiaire beschermingsstatus dient te verkrijgen op grond van een 15c situatie en zo ja of dat dan voorzienbaar is dat u een vestigingsalternatief krijgt tegengeworpen? Meld uw zaak dan gratis en vrijblijvend aan via het formulier op onze website of neem telefonisch contact op met een van onze asieladvocaten via 013 53 53 8885.

Heeft u vragen?

Wij zijn er voor u

nl_NL